Roger McGuinn - Op de vleugels van The Byrds

Januari 1991

“Communiceren, daar draait het bij mij eigenlijk allemaal om,” zegt Roger McGuinn. “Daarom ben ik al die jaren toen het mij minder voor de wind ging gewoon blijven optreden. Ik wil met zoveel mogelijk mensen in contact komen. Vandaar ook dat ik nooit mijn huis verlaat zonder een mobiele telefoon mee te nemen. Als ik in een vliegtuig of een auto zit, kan ik het niet nalaten mensen op te bellen. Het is toch fantastisch dat wij luid en duidelijk met elkaar kunnen praten terwijl we ieder aan een andere kant van de Atlantische Oceaan zitten?”

Directe aanleiding voor het gesprek vormt het verschijnen van zijn zesde soloplaat Back From Rio, waarmee hij een albumloze periode van liefst elf jaar afsluit. Die langverwachte comeback werd luttele maanden geleden voorafgegaan door een titelloze, vierdelige box van The Byrds, zijn vroegere groep die in de tweede helft van de jaren zestig samen met The Beach Boys gold als het Amerikaanse tegenwicht van The Beatles. Ofschoon postpunkers als Tom Petty & The Heartbreakers, R.E.M. en wijlen The Long Ryders vooral in hun beginperiode onmiskenbaar beïnvloed bleken door McGuinn, zag tot voor kort geen enkele gevestigde platenmaatschappij meer brood in de grote stilist.

Noodgedwongen besloot hij voor onbepaalde tijd als troubadour door het leven te gaan, mede omdat hij weigerde nog langer artistieke concessies te doen na het commerciële echec met McGuinn, Clark & Hillman, het album dat hij eind jaren zeventig met twee van zijn oud-collega’s had gemaakt nadat eerder dat decennium de comebackplaat The Byrds op een deceptie was uitgelopen. Gene Clark opereert sindsdien op het tweede plan, maar Chris Hillman mocht met zijn nieuwe groep The Desert Rose Band meeprofiteren van de renaissance van de countryrock. David Crosby op zijn beurt kon het afgelopen decennium al freebasend teren op de oude glorie van Crosby, Stills & Nash, terwijl Michael Clarke, het laatste en meest onbetekenende lid van de oerbezetting, het enkele jaren geleden bestond om te gaan optreden met een formatie onder de naam The Byrds.

Back From Rio nu bewijst dat McGuinn en niemand anders de artistieke erfgenaam mag heten, want hoewel niet verschoond van voorspelbaarheid verraadt het even uitgebalanceerde als aanstekelijk klinkende album de nodige creativiteit. “Het had een album vol met beroemdheden kunnen worden, maar ik besloot het project betrekkelijk kleinschalig te houden, omdat het mij niet ontbrak aan het nodige zelfvertrouwen,” vertelt hij. “Gedurende mijn jaren als troubadour heb ik mij als zanger en gitarist namelijk in alle rust verder kunnen ontwikkelen. Bovendien leed de kwaliteit van het repertoire geen enkele twijfel, dus ik hoefde in geen enkel opzicht aan mijzelf te twijfelen, laat staan dat ik bevangen werd door faalangst.”

*******

Deo volente zal Roger McGuinn volgend jaar Abraham zien en getuige de recente foto’s oogt hij opmerkelijk goed geconserveerd. Anders dan talloze generatiegenoten heeft hij dan ook altijd maat weten te houden met allerhande drugs, waarbij hij als herboren christen eerder dan de rest van het Californische wereldje het hedonisme afzwoer, wat hem samen met de almaar toenemende luchtvervuling begin jaren tachtig deed besluiten om van Los Angeles naar de westkust van Florida te verkassen. Als kind van katholieke huize bleek McGuinn trouwens zelfs in de agnostistische hippiedagen niet ongevoelig voor religie, getuige onder meer de tekst van 5D (Fifth Dimension), om maar te zwijgen van zijn kortstondige bekering tot het Indonesische Subud-geloof, reden ook waarom hij in 1967 zijn voornaam van Jim in Roger veranderde.

James Joseph McGuinn III groeide op Chicago, waar hij als jochie door zijn grootvader eens werd meegetroond naar het Museum van Wetenschap en Industrie. “Het is een ideaal museum voor kinderen, want je mag er op knopjes drukken om van alles en nog wat in werking stellen,” herinnert hij zich. “Die dag raakte ik voorgoed gefascineerd door de technologie in al haar facetten.” Zijn fascinatie met vliegtuigen en ruimtevaart bijvoorbeeld leidde tot menige liedtekst, nog afgezien van de naar het schijnt indrukwekkende verzameling elektronische apparatuur die hij in de loop der tijd heeft opgebouwd. Zo behoorde hij in de vroege jaren zeventig tot de eersten die zich een videorecorder aanschaften, terwijl hij al in de late jaren zestig succesvol experimenteerde met de Moog-synthesizer.

De muzikale interesse van McGuinn ging aanvankelijk uit naar de populaire rockabilly, maar na het wegebben van de rock ’n’ roll-vloedgolf aan het eind van de jaren vijftig gaf hij de voorkeur aan de destijds in zwang zijnde folk. Hij leerde gitaar en banjo spelen en werd een blauwe maandag ingehuurd door The Limelighters om vervolgens zijn heil te zoeken in New York. In de koffiehuizen van Greenwich Village probeerde hij het eerst solo, maar geldgebrek deed hem besluiten in te gaan op een aanbod van The Chad Mitchell Trio. Daarna fungeerde McGuinn als begeleider van Bobby Darin, waarbij hij tijdens kantooruren werkte in het Brill Building, de legendarische liedjesfabriek op Broadway. Verder verrichtte hij studiowerk voor onder anderen country ’n’ western-zanger Hoyt Axton, die hem als voorprogramma meenam op een tournee door Californië, waar hij uiteindelijk in Los Angeles bleef hangen.

In de befaamde folkclub The Troubadour ontmoette McGuinn begin 1964 Gene Clark met wie hij een duo formeerde, dat kort daarop zou worden uitgebreid met David Crosby, die connecties had met een geluidstechnicus. Op diens aanraden versterkte het trio zich met een ritmesectie, bestaande uit Chris Hillman en Michael Clarke, waarna men aan het repeteren sloeg. “Jim Dickson bezat een sleutel van de studio waar hij werkte en zodoende konden we die zomer daar niet alleen na middernacht oefenen, ook nam hij altijd alles op, zodat we konden evalueren wat we speelden,” vertelt McGuinn. “Ik had het idee om de stijl van Bob Dylan te combineren met het geluid van The Beatles, maar we slaagden er om een of andere reden niet in die voor mij zo natuurlijke synthese tot stand te brengen. Tot ik op zekere dag A Hard Day’s Night in de bioscoop zag en mij opviel dat George Harrison op een twaalfsnarige elektrische gitaar van het merk Rickenbacker speelde. Diezelfde week nog heb ik er toen met geleend geld meteen ook zo eentje aangeschaft. Kort daarop wisten we via via beslag te leggen op een bandje van Dylan met een nog niet eerder opgenomen nummer.” In de zomer van 1965 debuteerde het vijftal onder de naam The Byrds met de onvergetelijke wereldhit Mr. Tambourine Man.

*******

“We werden overweldigd door het gigantische succes, te meer omdat we ons plotseling uit de naad moesten werken,” zegt Roger McGuinn. “De ene reeks optredens volgde de andere op, wat je zeker in die dagen binnen de kortste keren opbrak, want professioneel opgezette tournees kende men toentertijd nog niet. Het ging er allemaal nogal simpel, om niet te zeggen primitief aan toe. Reizen deed je in een busje tussen de instrumenten en de apparatuur, en de optredens vonden plaats in gymnastieklokalen en kegelbanen. En tussen de bedrijven door werden we ook nog eens geacht platen op te nemen, terwijl we zó lang op elkaars lip moesten zitten dat we elkaar vaak niet meer konden luchten of zien.”

De allesbehalve gunstige omstandigheden in aanmerking genomen, mag het des te verbazingwekkender heten dat The Byrds met elk nieuw album op verbluffende wijze evolueerden. Bezat de muziek van de groep dankzij de zoetgevooisde samenzang en de kenmerkende klankkleur van McGuinn’s stem en gitaarspel van meet af aan een apart geluid, stilistisch ging men zich pas echt onderscheiden toen de kristalheldere folkrock werd verrijkt met elementen uit buitenissige muziekgenres. “David Crosby kwam op een gegeven moment aanzetten met elpees van John Coltrane en Ravi Shankar,” vertelt McGuinn. “Ik had toen juist een van de allereerste cassetterecorders aangeschaft, zodat ik die twee platen kon opnemen. In de bus op tournee luisterden we een paar weken lang naar niets anders, wat resulteerde in onze vijfde single, Eight Miles High met op de achterkant Why. Men sprak van acidrock en ragarock en iedereen vond het ronduit vernieuwend, maar in wezen hadden we niet méér gedaan dan ons andermans ideeën eigen gemaakt.”

Begonnen The Byrds in feite als epigonen van The Beatles, hun muziek oogste daarom niet minder de bewondering van The Fab Four. Men zocht elkaar tijdens tournees wanneer mogelijk zelfs op, met als indirect gevolg dat met name George Harrison op zijn beurt door zijn Amerikaanse vakbroeders werd beïnvloed. Zo kopieerde hij met schriftelijke dank aan McGuinn een van diens gitaarmotiefjes, terwijl Crosby hem met Indiase muziek liet kennismaken. Beide groepen werden er overigens van beschuldigd drugsvriendelijke teksten te schrijven, waarbij men zich in het geval van The Byrds baseerde op titels als5D (Fifth Dimension), Eight Miles High en Mr. Spaceman. “We slikten wel speed en acid, maar die singles gingen over totaal andere zaken,” aldus McGuinn. “Er was in die periode sprake van een soort heksenjacht op popmuzikanten die het gebruik van drugs zouden propageren en ongelukkigerwijze werd de beschuldigende vinger naar ons uitgestoken.”

Saillant genoeg stoorde McGuinn zich destijds moreel nogal aan de strekking van Triad, waarin Crosby een seksuele drieëenheid bepleitte, iets waarvoor hij naar verluidt op staande voet werd ontslagen. “Dat was niet meer dan een excuus,” ontzenuwt McGuinn nu. “Er viel gewoon geen land meer met hem te bezeilen.” Naast diens toenemende afhankelijkheid van cocaïne probeerde hij bovendien het artistieke leiderschap van The Byrds over te nemen. Anderhalf jaar eerder, in de lente van 1966, had Gene Clark de groep al verlaten, zogenaamd vanwege zijn vliegangst, waarna McGuinn en in iets latere instantie Crosby en Chris Hiliman zich ontpopten als getalenteerde componisten, al bleef men daarnaast putten uit het repertoire van Bob Dylan. “Die vond alles wat we met zijn nummers deden prachtig, zelfs al kende hij ze soms niet eens terug,” zegt McGuinn, die hun artistieke symbiose ooit als volgt omschreef: “Ons succes bracht hem erkenning als popartiest, maar hij was de professor en wij zijn studenten.”

*******

“In de gloriedagen van The Byrds liep ik met plannen rond voor een dubbelalbum, dat de hele geschiedenis van de Amerikaanse populaire muziek moest omvatten,” vertelt Roger McGuinn. “Ik wilde laten horen hoe vanaf de late Middeleeuwen de Europese volksmuziek zich ontwikkelde en hoe daaruit aan het begin van deze eeuw in de Verenigde Staten, om precies te zijn in de Appalachen, de countrymuziek ontsproot, die vervolgens tot country ’n’ western zou uitgroeien. Uit die stijl ontstond in de vroege jaren vijftig weer de rockabilly, die op zijn beurt zou evolueren tot rock ’n’ roll. Daarna moest de invloed van de folk en jazz op de popmuziek van de jaren zestig aan bod komen en het geheel zou worden afgesloten met een proeve van elektronische muziek. Naar mijn overtuiging viel er op het concept weinig af te dingen, maar behalve ik geloofde er niemand anders in.”

McGuinn mag zijn plannen dan nooit hebben weten te verwezenlijken, Rolling Stone–redacteur David Fricke stelt in zijn verhelderende essay bij The Byrds-box volkomen terecht dat uit het oeuvre van de groep een compilatie kan worden samengesteld die de opzet van dat ambitieuze project wel heel erg dicht zou benaderen. Vooral de briljante trits uit 1967 en 1968 toont aan hoe bepalend McGuinn met The Byrds is geweest voor de stormachtige ontwikkelingen binnen de Amerikaanse popmuziek. Op Younger Than Yesterday, dat overigens in Mr. Spaceman de laatste grote hit van de groep bevat, groeide de folkrock van de eerste drie albums uit tot romantische acidrock, waarmee op The Notorious Byrd Brothers middels instrumentale toevoegingen en elektronische geluidseffecten geslaagde experimenten werden uitgehaald. Dat vijfde album pakte niet in de laatste plaats als hun absolute meesterwerk uit, omdat McGuinn en Chris Hillman wilden bewijzen dat ze best buiten de ontslagen David Crosby konden, zij het dan wel met de assistentie van de inventieve producer Gary Usher en diverse sessiemuzikanten.

Als Crosby’s vervanger werd Gram Parsons aangetrokken, die de anderen wist over te halen om in Nashville met gerenommeerde instrumentalisten als Lloyd Green, Roy Huskey en Earl P. Ball een country ’n’ western-album op te nemen. Hoewel bij lange na niet zo baanbrekend als destijds werd vermoed, veroorzaakte Sweetheart Of The Rodeo een ware sensatie vanwege het ongehoorde feit dat een stelletje hippies zich waagde aan  zo’n conservatieve muzieksoort. “Die reactie kwam goed in onze kraam te pas,” aldus McGuinn. “Het succes had ons namelijk tegendraads gemaakt, in die zin dat we het verwachtingspatroon van het publiek telkens weer opnieuw probeerden te doorbreken, aangezien we ons per se niet in een hokje wilden laten stoppen.”

Parsons keerde The Byrds kort na het verschijnen van Sweetheart Of The Rodeo tijdens een Europese tournee de rug toe toen hij vernam dat de groep in Zuid-Afrika voor een gescheiden publiek zou moeten optreden. Terug in de Verenigde Staten hield ook Hillman het voor gezien en samen formeerden ze The Flying Burrito Brothers, die met het monumentale debuut The Gilded Palace Of Sin de countryrock tot wasdom zouden brengen. McGuinn volgde in hun voetspoor, vergezeld door onder andereren de virtuoze gitarist Clarence White. Op het podium manifesteerde de nieuwe bezetting zich als hecht collectief, terwijl van hun vijf albums Ballad Of Easy Rider en Untitled met de klassieke single Chesnut Mare er ruimschoots mee door konden, al was de magie er toch min of meer uit, wat in de nazomer van 1972 uiteindelijk leidde tot de opheffing van de groep. “Achteraf is het natuurlijk altijd makkelijk praten, maar eigenlijk had ik The Byrds al veel eerder moeten ontbinden,” weet McGuinn nu. “Ik beschouwde het echter als een familibedrijf en zo’n zaak doek je nu eenmaal niet zo gauw op.”

*******

“The Byrds zijn voorgoed uitgevlogen,” weet Roger McGuinn. “Weliswaar hebben Chris Hiliman, David Crosby en ik onder die naam de afgelopen jaren diverse malen opgetreden en staan er op de box een aantal nieuw opgenomen nummers, maar dat gebeurde heus niet onder het mom van een reünie, zo daar al sprake van kan zijn zonder Gene Clark. Men moet er echt niets méér achter zoeken dan een aardige manier om de cirkel alsnog te sluiten.”

McGuinn heeft zich kennelijk met het verleden verzoend, want hij werkt momenteel aan zijn levensverhaal, dat de titel So You Want To Be A Rock ’N’ Roll Star zal gaan dragen. In het gelijknamige nummer van Younger Than Yesterday wordt op cynische toon in drie coupletten de doodlopende levensweg van een popidool geschetst. McGuinn spreekt over de turbulente vlucht van The Byrds echter met de nodige affectie, zij het op nogal afstandelijke toon, alsof hij elke schijn van nostalgie wil vermijden. Tegelijkertijd bedekt hij hetgeen er allemaal is voorgevallen met de mantel der liefde, getuige het feit dat hij desgevraagd weigert te reageren op Long Time Gone, de geruchtmakende biografie van Crosby, waarin deze zijn visie geeft op de interne strubbelingen. “Ik voel er niets voor om oude koeien uit de sloot te halen,” verklaart hij. “Alles is wat mij betreft vergeven en vergeten.”

Hoewel The Byrds als geen andere Amerikaanse groep uit de jaren zestig de grenzen van de popmuziek drastisch verlegde, laat McGuinn zich daar absoluut niet op voorstaan, zelfs niet als hem zulks aan het eind het gesprek praktisch in de mond wordt gelegd. “We deden gewoon wat in ons hoofd opkwam,” relativeert hij. “Ons ontbrak gewoon de tijd en het geld om een en ander te overdenken en uit te proberen. Eerst moesten we het ijzer toen het heet was zo snel mogelijk zien te smeden, terwijl er vanaf het moment dat de hits uitbleven al helemaal geen denken meer aan was dat we maandenlang aan een album mochten werken. Wat we op artistiek gebied hebben gepresteerd, danken we indirect dan ook aan The Beatles, die we mateloos bewonderden en door wie we ons bijgevolg lieten inspireren. Nadat we hen persoonlijk hadden leren kennen, ging het ons eigenlijk nog enkel en alleen om hún blijk van waardering. Als zij onze nieuwe plaat goed vonden, waren wij de koning te rijk.”