Tijd

Maart 2008

Fris geurend zit Daniël Lohues om twintig voor tien aan een mini-ontbijt van croissant, espresso en jus d’orange. Gisteren is hij vanuit het verre Erica afgereisd naar de hoofdstad, alwaar hij de nacht heeft doorgebracht in dit luxe hotel. Hij mocht het er van zichzelf eens van nemen, want tenslotte wacht hem vandaag een lange werkdag, die rond acht uur zal eindigen in De Wereld Draait Door.

We schrijven de eerste woensdag van april en voor de zoveelste keer op rij is het van dat Piet Paaltjens-weer. Sinds mensenheugenis liet de lente niet zo lang op zich wachten als dit jaar. “Voor mensen met aanleg voor zwaarmoedigheid zijn dit moeilijke tijden,” weet de Drentse troubadour. “De winter doorkomen is al lastig genoeg, maar als het eind februari, begin maart niet wil opschieten met het weer, dan krijgen ze het pas echt zwaar. Want een vroege lentedag doet wonderen: de winterse melancholie maakt dan gelijk even plaats voor een beetje hoop.”

Over dat jaarlijkse wachten op wat hij ‘een nieuwe tijd’ noemt, gaat het opbeurende Morgen Wordt ’t Beter Toch, Of Niet?, dat samen met vijftien andere nieuwe dialectliedjes te vinden is op zijn die week verschenen album Allennig II. De gelijknamige theatertournee loopt dan inmiddels al anderhalve maand. Een man die gitaar of piano speelt, soms mandoline en mondharmonica, zingend over de liefde, de muziek, de natuur en het leven – afgewisseld met dicht bij huis gehouden verhalen.

Veel sentiment bij Daniël Lohues, maar niks geen sentimentaliteit en al helemaal geen klefheid, al lijkt hij zich in zijn bedrieglijk laconieke teksten niet meer zo te verschuilen. “Tja, dat hoort nu eenmaal heel erg bij het platteland, hè, om iets verhullend onder woorden te brengen,” weet hij. “Maar ondertussen kun je dan af en toe toch een heleboel zeggen.”

Om zichzelf voor die intimistische solovoorstelling een hart onder de riem te steken, schreef hij Angst Is Mar Veur Eben, Spiet Is Veur Altied. Weinig spijtigers tenslotte dan dat je iets wat je graag wilde doen bij gebrek aan voldoende durf uiteindelijk toch niet hebt gedaan. Dat je tegenover iemand tekort bent geschoten of een ander tegen wil en dank iets hebt aangedaan, geeft dan weer spijt van het soort dat op den duur wél slijt. Om met Jack Poels van Rowwen Hèze te zingen: Alleen tijd wint het van schuldgevoel en spijt. Zo hoeft angst ook niet per se samen te hangen met een gebrek aan moed, getuige nog zo’n wandtegeltjeswijsheid, maar dan eentje uit grootmoeders dagen: De mens lijdt het meest onder het lijden dat hij vreest.

Ja, het grote lijden dat als een zwaard van Damocles boven je hoofd hangt. Ieder moment kan het vallen, dus waarom in hemelsnaam om de haverklap schichtig naar boven gekeken? Voor je het weet heb je nergens anders meer oog voor. Je moet er niet aan denken. Enfin, Daniël Lohues zal daar nou waarschijnlijk zelden of nooit van wakker liggen. Voor hem moet het einde nog zó ver weg lijken– al blijkt het ook voor hem al langzaamaan wat dichterbij te sluipen. Niet voor niets opent Allennig II, ‘een echte nachtplaat’, met de bijna doodstil gezongen verzuchting: Tik tak, daar gaat de tijd, alsmaar harder. Maar zou hij er eigenlijk ook al een tijdbom in horen?